De taartmaffia

`Ik haat het, ik haat het. Ik. Háát. Hét!´

Mijn handen omklemmen de beslagkom, mijn vingerkootjes zien wit. Ik moet me inhouden om dat ding niet op te tillen en met een enorme bonk weer op het aanrecht te knallen. Alles zit toch al onder het beslag: de nieuwgelegde natuurstenen vloer – met vet moet u natuurlijk wél uitkijken – de Nespresso melkopschuimer en de haren van mijn peuter, die aandachtig staat toe te kijken hoe zijn moeder met roodaangelopen gezicht en opengerukte blouse een taart bakt.

Lees verder

Wereldvrouw

In het laatste hoekhuis van de straat woonde mevrouw Rozendaal. Mevrouw Rozendaal droeg haar lichtbruine haar losjes achterover gestoken in een rommelige knot. Elke zondag ging mevrouw Rozendaal tweemaal naar de kerk. Deze kerk had zijn eigen kledingvoorschriften: alleen met zwarte kousen en een rok tot over de knieën werd je er binnengelaten. Mevrouw Rozendaal was gezegend: ieder jaar kreeg ze een kind, soms ook twee. Toen haar oudste dochter veertien was, had mevrouw Rozendaal zodoende zestien kinderen, waarvan drie tweelingen. Van één jongetje was het rechterbeen afgezet. Godzijdank was de polio de andere kinderen bespaard gebleven.

Lees verder

Break a leg

´Die!´

Mijn zoon van twee gebruikt bij iedere vraag zekerheidshalve de gebiedende vorm. Zo ook bij het voorlezen.

´Dat is een bever.´

´Befuh,´ herhaalt hij braaf om mij een plezier te doen, maar zijn priemende vingertje gaat alweer naar het volgende dier: ´Die!`

Lees verder